De Hoogmis

‘Hoe laat gaan we morgen weg?’ Ik krijg een appje van Alex de dag voor vertrek. ‘Ik zat de denken aan 5:30 bij jou’. 5:30! Hoe laat moet ik dan wel niet op? En hoe laat zijn we dan op de plaats van bestemming?  Ik zeg ‘ok’.

De volgende ochtend om kwart voor vier gaat mijn wekker. Ik schrik wakker en snooze mijn wekker. Om me meteen daarna te beseffen dat ik helemaal geen tijd heb om te snoozen.

Vandaag is dé dag van dit voorjaar. Vandaag is De Ronde van Vlaanderen cyclo.

Snel douchen, fietskleren alvast aan, het weerbericht nog een keer checken en mijn tas controleren. Bijna vergeet ik nog mijn bidons. Om kwart over vijf staat Alex voor de deur. Ik neem nog snel een slok koffie, gris in het naar buitengaan mijn regenjack van de kapstok en we zijn weg. 

Met de Mercedes van Alex gaan we heerlijk comfortabel richting Vlaanderen. In het begin fluisteren we bijna tegen elkaar. Waarschijnlijk omdat het zo vroeg is, maar het kan ook spanning zijn. Na 1,5 uur komen we in de regen aan in Oudenaarde. Buienradar verteld ons dat die regen nog 10 minuutjes duurt. Lekker in de auto blijven dus.

Terwijl de mannen in de auto’s om ons heen zich in de regen klaarmaken, zitten wij nog lekker droog met een boterham en een banaan. Als het stopt met regenen gaan wij ook. Het is nog steeds donker. We rijden in een grote kolonne naar de start. Startplaatjes ophalen, even naar de wc en dan gaan we.  

Bij de start in het donker komen grote vlammen van vlammenwerpers uit de pilaren. Een prachtig gezicht!

We rijden rustig aan richting de eerste beklimming. Gelukkig rijden we eerst nog zo’n 7km op het vlakke langs het kanaal om de benen een beetje los te maken. Het wordt steeds lichter. We draaien een hoek om en daar is de eerste beklimming. De Wolvenberg is een steile puist tegen 17% stijgingspercentage. De eerste klap is meteen een daalder waard. Ondanks dat het nog vroeg is en het percentage moordend, komen we allebei goed boven en halen we onderweg naar boven meerdere mensen in.

Bovenaan stoppen we om onze regenjassen uit te trekken. het is inmiddels droog en de jassen zijn veel te warm vandaag. Na een paar kilometer heuvellandschap met prachtige vergezichten komen we aan bij de Molenberg. Ook deze beklimming is stevig, maar prima te doen. De molen bovenaan is prachtig! Wat een weg, wat een koers. 

We draaien de Paddestraat op. 2,5 kilometer kasseien. Redelijk vlak. Het is er nat en er ligt modder op de weg. De kasseien zijn hier en daar spekglad. Mijn wielen stuiteren werkelijk alle kanten op. Rechts naast de weg ligt een betonstrookje van zo’n 30cm breed. Ik besluit hierop te gaan rijden. Dat scheelt veel. Even geen kasseien. Even mijn handen en polsen rust geven.

Ineens verlies ik mijn koers. Ik rij de berm in. Niet erg. Ik stuur langzaam terug naar de betonstrook en rij al snel weer door. Ik besluit weer terug te gaan naar de kasseien en stuur naar links. De kasseien liggen een paar cm hoger dan de betonstrook.

Ik spring omhoog met mijn fiets….een klap… ineens lig ik midden op de Paddenstraat.

Ik krabbel overeind en controleer mijn fiets. Alles doet het nog en volgens mij geen zware beschadigingen. Maar door alle modder is dat niet goed te zien. Ik bekijk mezelf. Mijn linkerknie is geschaafd en mijn dijbeen doet zeer. Ik spuit er wat water uit mijn bidon over, maar het wordt niet schoon. Ik voel mijn dijbeen verstijven. ‘Kom, we gaan door’. In een lichte tred rijden we de Paddestraat af. Hierna is het nog maar een klein stukje naar de eerste bevoorradingspost.

Hier aangekomen ga ik toch maar even naar de EHBO post. Al is het alleen maar om alles schoon te laten maken. Een jong meisje neemt mijn gegevens op. Een oudere mevrouw komt met een afwasteil met water en een doekje. Ze maakt mijn knie schoon en ontsmet het. En je arm? vraagt ze. Ze wijst naar mijn armstukken en doe ze naar beneden. Op mijn linkerarm zit een flinke schaafwond. Er komt een tweede mevrouw bij. De een met een gaasverbandje, de tweede met de grootste witte pleister die ik ooit gezien heb.

Ik zie er uit als een wielrenner in de Tour de France, die de dag na een valpartij weer opgelapt op de fiets zit. Ik bedank de medewerkers van het Rode Kruis en loop de tent uit. Als daar een ambulance aan komt rijden besef ik ineens dat het ook zomaar heel anders had kunnen lopen. Ik heb mazzel gehad. 

Even eten en drinken, bidons weer vullen en dan gaan we weer. De eerste kilometers ben ik wat stijf, maar mijn spieren worden steeds losser. Ik ben wel nog wat onzeker, zeker op de kasseien. Maar na een tijdje ben ik alles weer vergeten en vliegen we weer door het Oost-Vlaamse land.

Wat is het hier mooi. En al is het al mijn derde Ronde, het blijft de meest bijzondere cyclo die ik gereden heb. De organisatie en de enorme hoeveelheid vrijwilligers en politie zijn inspirerend. Evenals het rijden op een profparcours de dag voor de koers. Op vele plekken staan mensen langs de kant aan te moedigen en overal zijn alle dranghekken en VIP tenten al aanwezig. 

We rijden de Leberg en de Berendries, waar je in de lange afdaling met kasseien denkt dat je fiets uit elkaar valt. Op naar Ten Bosse.

Een haakse bocht naar links in het dorp en vlak achter me hoor ik een klap…. ik kijk om… Alex maakt een schuiver op het asfalt. Kut. Snel fiets een de kant en er naartoe. Hij ligt midden op straat, maar wordt gelukkig afgeschermd door fietsers die hem achterop kwamen rijden, zodat er niemand op hem kan rijden. Al snel staat hij op en staan we samen op het trottoir. Ook hij heeft pijn, ik kan het zien. Maar hij verbijt zich. Op een beurse dij en een kapotte linker handschoen na lijkt alles heel. Ook zijn fiets werkt gelukkig nog. Een korte check. Kunnen we door? Ja, is het korte antwoord en hij zit alweer op zijn fiets. Daar gaan we weer. Meteen Ten Bosse op. Rustig aan, dat wel.

De legendarische beklimmingen met en zonder kasseien blijven komen. Het is een prachtig avontuur.

Op de Koppenberg zijn we goed onderweg naar boven, maar op de steile kasseienklim van maar zo’n drie meter breed, zijn teveel mensen die van de fiets moeten omdat het te steil is. Voor me rijd iemand de berm in en valt stil. Hij laat net geen gaatje waar ik doorheen zou kunnen. Ik ben mijn tempo kwijt en moet van mijn fiets af. Balen. Halverwege wordt de weg iets breder en kan ik gelukkig weer opstappen. Door, door, door.

Na 100 kilometer komen we aan de Kanarieberg. Herinneringen van de barre, natte en koude tocht van twee jaar geleden komen weer boven. En mijn benen voelen weer opnieuw als lood, net als toen. Gedachten in mijn hoofd: “waarom doe ik dit eigenlijk, voor wie ben ik hier aan het fietsen, vind ik dit echt leuk, hou ik eigenlijk wel van korte felle klimmetjes?”

Gelukkig komen we na de Kanarieberg bij de laatste bevoorrading. Een heerlijke, beschutte plek in de zon. Hier nemen we lekker de tijd. Genieten van de mensen om ons heen, rustig even wat eten en drinken en onze fietsen een beetje schoonspuiten met onze bidons water om de modder eraf te spuiten. Onze kettingen knarsen van de modder. Als ik onderweg in een groepje Alex even kwijt ben, hoef ik maar mijn benen stil te houden en te luisteren of ik gepiep en geknars hoor, dan weet ik dat hij er ook is.

Mijn rechterknie voelt dik en doet zeer. Als we weer gaan vertel ik Alex dat ik de laatste 30km rustig aan wil doen, zodat ik mijn knie niet stuk zal maken. Maar na de bevoorrading lijk ik weer te vliegen. We rijden de Kruisberg en de Oude Kwaremont op.

Tijdens deze laatste beklimmingen wordt het steeds stiller. Er wordt niet meer gepraat om ons heen. Iedereen om ons heen lijkt in een soort van meditatieve stand te zijn beland. Je hoort alleen nog het suizen en stuiteren van fietsen, maar gepraat wordt er nergens meer. De Kwaremont is toch nog langer dan dat je denkt. Ook al denk je dat je er bijna bent, dan duurt hij toch nog langer. Een draak van een weg. 

Dan, afdalen naar de Paterberg op het hele smalle weggetje, een haakse bocht naar rechts en ineens sta je aan een helling van 20% stijgingspercentage. Van 55km per uur naar 10 km per uur in 5 seconden. In alle drukte en op de gladde modderkasseien, rij ik de Pater op. Het is een zware klim, helemaal na 130 kilometer koers. Voor het eerst hoef ik hier niet van mijn fiets.

Ik heb ergens nog een foto van mij op deze berg met mijn schoenen aan mijn stuur, lopend naar boven. Maar niet nu!

Bovenaan de Pater weet ik, vanaf hier is het afdalen en één lange vlakke streep terug naar Oudenaarde. De laatste 15 km vlak rijden we met een groepje mee. Eerst rustig 29, maar al snel rijden we boven de 35km per uur. Ongelofelijk dat we dit nog in ons hebben na zes uur op de fiets en 130 km in de benen.

Druk kletsend over de dag fietsen we ontspannen naar Oudenaarde. Het laatste stuk naar de finish is bijzonder. We rijden tussen de dranghekken van de laatste kilometer en proberen ons voor te stellen hoe het is als je hier met zijn drieën aankomt in een wedstrijd. Wanneer ga je aan? Het is een lang recht stuk en je kunt precies zien waar je heen gaat. 

In Oudenaarde is het volksfeest van De Ronde al in volle gang. We fietsen over de markt, waar het zwart ziet van de mensen. Het is een prachtige dag, dus ook de terrassen zitten helemaal vol. We rijden door naar de Qubus, waar we vanmorgen ook gestart zijn. Hier halen we onze medaille en een T-shirt. We nemen een zit in een feesttent met een frietje en een bruine pint.

Met de Engelsen bij ons aan tafel praten we na over de dag. Wat een avontuur. Zullen we nog een pintje doen? En na twee biertjes klimmen we weer op onze fiets om terug te rijden naar de auto. We moeten nog flink klimmen om bij de auto te komen en met twee biertjes in je benen is dat niet evident, om een mooi Vlaams woord te gebruiken.
Bij de auto op een bijna leeg industrie terrein kleden we ons om. Eindelijk weer normale kleren aan. We leggen de fietsen weer in de auto en rijden naar huis.
Wat een mooie dag was dit. En wat een avontuur. En morgen is het koers op tv. De Hoogmis.

Ik lig op de bank denk ik.

Zet me op de wachtlijst We sturen je een mailtje wanneer het product weer op voorraad is. Laat hieronder je geldige e-mailadres achter.